Schilderij van 1000 woorden

Een foto kan meer zeggen dan heel veel woorden. Deze keer niet 🥰

Waar en wanneer ben je geboren? Weet je iets over hoe de bevalling verliep? Je vader, was die erbij? In wat voor huis en buurt woonde je als klein kind? Ben je verhuisd en, zo ja, waarom? Met wie speelde je het meest? Wat deden jullie het liefst? Wat waren de vaste gewoonten binnen het gezin? Naar welke scholen ging je en waarom? Wat waren thuis de verwachtingen van je prestaties en schoolkeuze? Hoe waren de gezinsvakanties? Wat was je eerste baantje? Van welke muziek of boeken hield je? Waar werd thuis over gepraat en waarover juist niet?

 

Liever nu dan nooit 
Zou ik jullie apart van elkaar mogen interviewen? De vraag ging al langer door mijn hoofd, maar ik wilde het nu echt eens doorzetten. Later is maar een vaag begrip en het leven kent ongenadig onverwachte wendingen. Kortom, je weet nooit, dus waarom uitstellen?

 

Schilderij
“Waar gaat het dan eigenlijk over?” Mijn moeder klonk bedenkelijk aan de telefoon, vooral toen ik zei dat ik alles wilde vastleggen als geluidsopname. “Zie het als een schilderij,” legde ik uit. “Als een gesproken portret. Geen foto, want het gaat niet om een feitelijk juiste weergave. Het wordt een schilderij en jij schildert zelf. Je bent geheel vrij om weg te laten of juist te accentueren wat je wilt. Ik ben er alleen voor de omlijsting, het kader.”

 

Warm en helder
En dus planden we een schilderavond. Mijn moeder schilderde nadenkend, soms dromerig, met warme, heldere kleuren en met veel respect voor de waarheidsgetrouwe details. Ik zag het voor me. We wandelden samen van het speelveld achter haar ouderlijk huis naar de logeerpartijen bij haar nichtjes in het Gooi, van school naar haar eerste baan in het onderwijs, van verkeringstijd naar moeder van vier. Wat herinnert ze zich? Wat was belangrijk? Wat viel zwaar? Wat was houvast en waarom? Verlies, hoogtijdagen, hoop, verwachtingen. Hoe kijkt ze terug met de kennis van nu, na bijna 70 jaar?

 

Uppie
Het was al bijzonder, zo realiseer ik me, om in alle rust in mijn eentje aan hun tafel te zitten met eerst alleen mijn moeder en daarna mijn vader tegenover me. Zonder de rest van mijn gezin, zonder andere familieleden, gewoon helemaal met z’n tweeën in alle rust en met alle tijd van de wereld. 

 

Recht door zee
Mijn vader sprak ik de volgende dag, nadat ik was blijven slapen. Hij schilderde gedreven, dan weer peinzend en zowel levendig als beschouwend. Ferme halen, dan weer kriebelige details. Het hele palet kwam voorbij; van brommend en nadenkend tot zeer stellig en uitgesproken, van betrokken en bezorgd tot hartelijk lachend of met de vuist op tafel. Zijn ouders, zijn opa en oma, de keuzes die hij maakte, zijn ‘ziekenhuistijd’, geloof en verwachtingen, zorgen, zingeving, ons eigen gezin, het opa zijn. Observerend en begaan, maar altijd recht door zee. Veel wist ik natuurlijk al, maar wie nieuwsgierig is, ontdekt altijd iets nieuws.

 

Authentiek 
Uiteraard waren de uren hoe dan ook te kort, maar wat een kleuren. Hun nadenken, lachen, stiltes, zelfs hun herkenbare houding en bewegingen zijn te horen. Verder voelde het eerst vreemd om me puur als interviewer op te stellen. Het moest dan ook een interview worden en geen gesprek, geen gezamenlijk delen van herinneringen. Gaandeweg gebeurt dit natuurlijk af en toe, maar ik heb alles bij elkaar maar heel weinig gezegd. Goed gelukt dus en daar ben ik trots op. Ook ben ik heel dankbaar dat ik dit heb kunnen doen, voor het vertrouwen en voor het prachtige, authentieke resultaat. Het gaf mij ook inzichten in mijn eigen waarden en patronen in ons eigen gezin.

 

Stel niet uit 
Ik deel dit omdat ik het als zeer waardevol heb ervaren en dat gun ik anderen, indien mogelijk, ook. Heb je een van je of beide ouders nog en ben je op wat voor manier dan ook nieuwsgierig naar hen, zelfs al denk je alles al te weten? Misschien is een dergelijk interview het overwegen waard. Ook als je, zoals ik, foto’s vrijwel niet meer kunt zien. Google gewoon even op ‘interview met je ouders’ en vul wat je vindt aan met je eigen ideeën. Misschien denk je nu: ja leuk, doe ik nog wel een keer. Dan kan ik maar één ding zeggen: wacht niet te lang…

Advertentie

Een jullie

Deze kwam ik bij toeval weer tegen. Ooit was ie te lezen op, jawel, mijn Hyves 😂 en het stamt overduidelijk uit het pre-AirPods-tijdperk. Maar toch 😏 Dascha is helaas al 3 jaar niet meer, maar ook zo denk ik met plezier aan haar terug 🥰

Beetje bij slapen
‘s Ochtens vroeg op weg naar mijn werk kom ik nummer 1 al tegen. “Wat een lieve hond, hoe oud is hij?” Help, niet nu, alsjeblieft, ik ben nog niet eens wakker.
“Euh, vier,” antwoord ik braaf, mijn tegenzin verbloemend met een glimlachje, hopelijk niet al te opvallend. “O, ik vind het echt zo knap, heb je hem al lang?” Heel even sluit ik mijn ogen. “Ruim twee jaar.” Het klinkt niet onvriendelijk, maar nodigt – hopelijk – beslist niet uit tot meer vragen. Ik heb dringend behoefte aan nog een beetje bij slapen of een bak koffie, verder hoef ik even niets op dit moment. Ik richt mijn blik richting het raam en doe net of ik buiten iets heel interessants heb ontdekt. Ik vraag me af of nummer 1 dit domweg gelooft of dat hij gewoon de hint begrijpt. Het werkt in ieder geval. Ik geniet van mijn herwonnen rust.

 

Vragen staat vrij
Twee haltes verderop verlaat nummer 1 de coupé. We groeten elkaar vriendelijk. Zijn plaats wordt bijna direct veroverd door een paar lompe voetstappen in een wolk aftershave. “O kijk nou,” lacht hij geamuseerd, “Wat een mooi beest zeg.” Okee, nummer 2 dus. “Dank u,” mompel ik, niet wetend of hij wel een reactie van mij verwacht.

“Ja hè, zo rustig ook, geweldig toch?” Aah nee, daar is nummer 3 ook. In gedachten teken ik het hele verloop van het nu onvermijdelijke gesprek haarfijn uit. 

Een labrador. Wat voor ras is dit?” 
Dascha. “Hoe heet hij?” 
Zes tot acht maanden. “Hoe lang duurt nou zo’n opleiding?” 
Jazeker, heel knap. “Knap hoor, hè?” 
Nee, dat zijn hulphonden voor mensen in een rolstoel. “Tjonge, als je ziet wat ze die beesten kunnen leren, zelfs de was in de wasmachine doen, deuren openmaken en van alles.” 
Nee, toen was ik wat kleiner. “Ben je zo geboren?”

Ik antwoord vriendelijk en beleefd. Ik begrijp het zo goed. Hoe kan ik deze oprechte belangstelling en vertedering niet op prijs stellen? Bijna voel ik me nog ondankbaar ook. 

 

Microscoop 
Voor ik het weet zijn nummer 2 en 3 op gedempte toon in gesprek met een onvermoede nummer 4 over het inderdaad fantastische werk van de geleidehond, dit echter zonder mij er verder in te betrekken. Ik voel me als een schilderij in een museum, nou ja, meer als een studieobject onder een microscoop, of iets daar tussenin. En dat terwijl het eigenlijk niet eens echt over mij gaat, maar over dat zwarte spook dat aan mijn voeten ligt te snurken. Zij is mijn ogen als ik onderweg ben. 

 

Geweldige schoenen
“Kun je nog iets zien of helemaal niets meer?” Nummer 2, 3 en 4 zijn uitgestapt en prompt is daar zowaar nummer 5. “Heb je je hond al lang?” Morgen ben je de eerste, denk ik bij mezelf. Weer antwoord ik beleefd. “Als je het vervelend vindt dat ik dat vraag, moet je het zeggen hoor.” O nee, PLEASE! Ik wou dat ik haar beter kon zien, om iets aardigs over haar uiterlijk te zeggen. Zo van: goh, mevrouw, wat een geweldige schoenen hebt u aan, prachtig, hebt u die al lang? Waar hebt u ze gekocht? Hoe lopen ze? In welke winkel hebt u ze gekocht? O, ik vind ze toch zo mooi, zo bijzonder. Mag ik ze even aanraken? Maar ik zeg alleen dat ik het niet erg vind. Je hebt inderdaad altijd een keus, maar altijd bestaat in dit geval niet.

 

Uitschieter 
“Woon je alleen?” Knipperend met mijn ogen antwoord ik dat dit niet het geval is. Wat een vraag. “En u?” vraag ik toch maar. Ze lacht alsof ik een grapje heb gemaakt dat er verder niet toe doet. “Is jouw man ook blind?” vraagt ze onverstoorbaar. Ik wist het. Nee mevrouw, hij is spastisch, zodat ik niet in zijn buurt kan komen omdat hij wel eens uitschiet, wat ik natuurlijk niet zie aankomen. Maar zoiets zeg je niet. Ik ben ten slotte een jullie.

 

Aansluiting 
“Hoe weet die hond nou naar welk spoor hij mot?” Toch nog een nummer 6 op de heenweg. “Dat weet ie niet, dat weet ik!” roep ik achterom over het perron. Hij verwacht toch niet echt dat ik mijn aansluiting ga missen om hem uitgebreid over geleidehonden te vertellen? Of over de onbekende die elke ochtend vanaf de roltrap naar me roept vanaf welk perron mijn trein vertrekt? Geen idee hoe hij weet wat mijn bestemming is, maar ik zal hem vast een keer langer gesproken hebben. Hoe dan ook vind ik hem een held.

 

Geratel 
Mijn oren tuuten als ik ’s middags weer richting huis ga. Veel telefoontjes, overleggen en het onophoudelijke geratel van mijn computer, de gesprekken tussendoor… Ik vind werken heerlijk, maar het vraagt veel van vooral mijn oren. 

“Kijk, Rik, dat is een blindengeleidehond, waar mama het laatst nog over had. Die mevrouw is blind en de hond helpt haar dan in huis met allerlei dingen.” Is dat nummer 7 al? Ik twijfel, enigszins geërgerd door de onjuiste informatie. Het is geen hulphond, mevrouw. En daarbij zit ik helemaal niet te wachten op afgelebberde sokken. Binnenshuis is dit gewoon een luie hond – en terecht. Het ligt op het puntje van mijn tong, maar ze zit te ver weg en ik heb geen zin om te roepen. 

 

De max 
Ik voel vele blikken op mij gericht wanneer Dascha een plaatsje voor me aanwijst en ik neerploffend haar tuigje losmaak. Ik laat het voor wat het is. Weinig keus ook. 
“Zeker nog jong?” Ja, 8 is echt de max voor vandaag. “Nee hoor,” zeg ik langzaam, “Ik ben pas 27.” Ik pers er een vriendelijk glimlachje bij uit. Om mij heen wordt gegniffeld en dan – eindelijk! – wordt het stil. Demonstratief leun ik achterover en sluit mijn ogen. Morgen vooral niet weer mijn iPod vergeten…

Hoezo, afstand??!

Ik zie dan altijd hordes mensen voor me die zich, vanaf een eiland, met verrekijkers en roeptoeters kenbaar willen maken aan de onverstoorbare, totaal in beslag genomen medemens op het verre vasteland. Echt hoor, inclusie en de beruchte afstand tot de arbeidsmarkt 🤔

Maar dit…
“Tja, we hadden via het uitzendbureau wel gehoord dat u iets aan uw ogen hebt, maar dit…?” Vervolgens vroeg ze of ze mijn hond even mocht aaien. Ik zei maar gewoon ja. Ik voelde dat de dames blikken wisselden. Dit was, laten we zeggen, geen ideaal begin van een sollicitatiegesprek, zelfs al wist ik – via via – dat mijn cv veel sterker was dan dat van de enige andere kandidaat. Het gesprek verliep op zich prima, al bleef hun ‘maar hoe dan?’ als hardnekkige mist tussen ons in hangen. Ze zagen het niet voor zich, dat had ik al in de gaten. Zelfs mijn cv – het bewijs dat ik dit werk probleemloos kon uitvoeren – was voor hen niet overtuigend. Termen als diversiteit en inclusie waren toen nog niet zo in. Via hun schriftelijke afwijzing vernam ik dat ze verder gingen met iemand anders die een ‘beter aansluitend cv’ had. Yeah right, aldus mijn connectie bij het uitzendbureau. 

 

Dilemma 
Bij iedere banenjacht is het weer een dilemma: vermeld je in je brief wel of niet dat je een beperking hebt? In Amerika, waar ik een paar maanden onder andere colleges in gesprekstechnieken volgde, geldt een simpele regel: als het niet relevant is voor het uitvoeren van de functie, vermeld je het niet. Sterker nog, er mag bij een eerste gesprek niet eens naar gevraagd worden. Dat stond me wel aan, maar ik kwam er ook achter dat het hier niet zo werkt.

 

Jeuk
Al heb je 10 studies cum laude afgerond, met een handicap val je in de categorie arbeidsbeperkt. Soms op papier, soms alleen als stigma. Of beide. Tegenwoordig behoor je dan, heel omslachtig, tot een ‘kwetsbare groep’ of tot ‘mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt’. Bij die termen heb ik altijd vage klachten, variërend van wat jeuk tot dikke vette uitslag. Mensen op een eilandje zetten, bordje ‘anders’ erbij en dan roepen dat zij door hun afwijken nu eenmaal een afstand hebben, dat is nogal makkelijk. En ja, een enkeling vindt het misschien wel lekker op dat eiland, maar voor de meerderheid geldt dit absoluut niet. Vervolgens moeten er duurbetaalde bruggen gebouwd worden, door beide partijen, maar waarom haal – of houd – je iedereen niet gewoon aan land? Wie heeft er eigenlijk een afstand tot wie?

 

Precies verkeerdom
Ik bedoel niet dat mensen die afwijken van de norm willens en wetens worden weggezet als minder capabel, maar onbewust gebeurt dit vaak wel. ‘Wat goed dat je bij ons werkt’ is eigenlijk een heel vervelende opmerking, hoe goedbedoeld ook. 

Al dat gepraat over inclusie – en ja, het is inclusie en niét inclusiviteit – is eigenlijk al een paradox op zich. En ook nog eens precies de wereld op zijn kop. Er zijn inclusieve werkgevers die fantastisch bezig zijn, maar hoe zit het dan met die andere? Zou een negatief keurmerk helpen? Vergelijkbaar met het voorbeeld in deze video. Nee, laten we aannemen dat er hoe dan ook geen sprake is van keiharde onwil.

 

Kwetsbaar 
Tegenwoordig gaat inclusie trouwens bijna altijd over regenboogvlaggen. Handicaps, tja, hmm. Nee, we zijn heus wel inclusief bezig, maar handicaps… dat heeft toch iets moeilijks, niet zo hip of zo. Dan word je bestempeld als per definitie ‘kwetsbaar’, maar wie in deze wereld is dat dan niet? ‘Alles van waarde is weerloos’, volgens het gedicht van Lucebert. Iets om in gedachte te houden. Sommige mensen zien zichzelf zelfs als ‘tot kwetsbaar gemaakte’ – ik verzin dit niet. Best slachtofferig, maar niet onbegrijpelijk.

 

Schone schijn 
Niemand wil afgewezen worden omdat hij anders is. Aangenomen worden trouwens ook niet. Het is verder best vernederend en demotiverend om functies te vervullen die speciaal zijn gecreëerd voor gehandicapten, of voor andere mensen van het eilandje, zeker wanneer je beter bent gekwalificeerd dan sommige van je collega’s met een reguliere baan. Dan wordt werken een jou verleende gunst. Het bedrijf kan goede sier maken en jij kan het op je cv zetten, dus wat zeur ik nou? Hoe leuk bedacht ook, die baantjes zijn altijd tijdelijk, wat de goede sier niet vermeldt, dus na één of twee jaar sta je weer op straat. Slechts zelden kun je intern doorstromen naar iets reguliers. Kortom, doel gemist. Wel goed voor de organisaties met dit als verdienmodel – hmm, zei ik dat hardop?

 

Gewoon doen 
Natuurlijk zijn er soms aanpassingen nodig om iemand te kunnen aannemen. Deze worden in de regel vergoed, dus aan de kosten ligt het niet. Hoe dan ook wil je als werkgever zo min mogelijk gedoe. En dat is nu precies waar het allemaal om draait: moeite doen en moeite willen doen. Moeite om je te verdiepen in wat een werknemer nodig heeft – en vaak is dit echt niet veel. Moeite om waar nodig wat creatiever te zijn dan gewoonlijk. Zoek je de perfecte kandidaat bij een vast takenpakket of stem je, waar nodig, de taken af op de situatie? Om maar iets te noemen. Ga je voor goede sier, blijft het bij een voornemen of ben je echt bereid tot omdenken als dat nodig is?

 

Niks bijzonders 
Dit vraagt om openheid, inventiviteit en vooral betrokkenheid. Nog niet de norm, maar er zijn gelukkig steeds meer werkgevers die moeite willen doen. Sommige voor de Bühne, andere uit intrinsieke motivatie om een voorbeeld te zijn voor hun concullega’s. Die realiseren zich dat inclusie niets is om bijzonder over te doen. Wat nou, afstand tot de werknemersmarkt. Moeilijk? Dat is een aanname – en niet meer dan dat.

 

Tandje erbij 
Ook van een werknemer vraagt dit extra inspanning. Duidelijk aangeven wat nodig is, niet verwachten dat anderen het wel regelen of het meteen allemaal snappen, extra tandje bij zetten omdat vooral de inwerkperiode vaak extra veel van je vraagt. En dan nóg een tandje erbij om het waar te maken. Ja, dat is en blijft hard werken.

 

Ter illustratie 
Moeite doen. Voor veel normafwijkers, zoals mensen met een beperking, is dat al een dagelijkse standaard. Vooral in deze tijd zou het voor iedereen de norm moeten zijn. Ik dacht hierbij aan het laatste stuk van dit – inmiddels enigszins gedateerde – fragment: klik hier.

 

Lammetjes

Deze kreeg ik als herinnering op Facebook: 11 jaar geleden won ik de columnwedstrijd rondom zien en ontving hiervoor de eerste prijs uit handen van toenmalig Tweede Kamerlid Jetta Klijnsma in Gouda, tijdens de eerste landelijke slechtziendendag. Leuk om terug te lezen. Alleen jammer dat mijn zicht intussen niet meer dat van toen is…

“Een kokervisusj….” De vrouw tegenover me spreekt het zo glazig uit, dat haar blik niet veel anders kan zijn. Ik onderdruk zowel een zucht als een glimlach. Aan de hand van het overblijfsel in de koker probeer ik haar te typeren. Net als ik haar in het vizier krijg, rijdt de trein naast de onze weg en snijdt het zonlicht me ongenadig de pas af. Als in een reflex graai ik mijn zonnebril van mijn hoofd en plant hem op mijn neus. Zo, mascara gered.
“Ja,” vervolg ik geduldig, “Ik zie dus ongeveer zo,” waarbij ik mijn handen als kokertjes voor mijn ogen houd. Duidelijker kan ik het toch echt niet maken. “O, wat errug”, reageert ze in onvervalst plat Amsterdams. Ik grinnik, maar ze meent het. 
De zon is even verdwenen. Ik zie nu dat ze donker haar heeft, dat heftig contrasteert met haar bleke huid. Daardoor kan ik zien dat ze een bol, rond gezicht heeft. Ik hoor dat ze kortademig is en leid daaruit af dat dit niet alleen voor haar gezicht geldt. Zo onopvallend mogelijk richt ik mijn koker naar beneden, maar zie slechts een grote, donkere en wel heel vreemd gevormde vlek. Ik probeer scherper te richten, maar het blijft zoals het is. Plotseling komt de vlek in beweging en hoor ik het geluid van een rits. De kleine puzzelstukjes die de koker me geeft, vallen door het geluid onverwacht op hun plaats. Nu zie ik haar witte – en ja hoor, mollige – hand die een grote, zwarte tas openritst die half op haar schoot staat. Ik vraag me af of ik dit had gezien zonder het ritsgeluid, maar ik weet het antwoord al. Ze gaat verzitten. Door het geritsel zie ik nu ook dat ze een tent van een rok aan heeft, al net zo zwart.
Onze trein mindert vaart. Haar gezicht past net niet in mijn koker. Ik vraag me af of ze in de gaten heeft dat ik naar haar kijk vanachter mijn zonnebril. “Ach ja, ik ben er inmiddels wel aan gewend eigenlijk,” zeg ik en werp een blik naar buiten. Er flitsen ondefinieerbare vormen voorbij. “Kijk, schapen!” joelt een kind verderop. Ik tuur, probeer mijn blik te focussen, maar het landschap raast aan één stuk door langs het raam. Groenig met onduidelijke vlekken. Het is bijna lente. Zouden er al lammetjes zijn? Misschien zijn dat die wittige vlekjes die ik af en toe in het groen ontwaar. “Nee joh, gekkie, dat zijn koeien,” klinkt het verderop. Teleurgesteld wend ik mijn blik af van het vlekkerige groen. We rijden een tunnel in. 
“Nah ja, je siet tenminste nog wat, gelukkig,” merkt de vrouw op. Ik heb dus nog geluk. “Het lijkt me vresjelijk, die sjwarte duisternisj met alleejn so’n klejn gaajtje.” Haar meelevende toon dreigt af te glijden naar medelijden. “Nou,” begin ik, “wat ik niet zie, is niet zwart, daar zie ik gewoon niets.” Een paar tellen lang verandert haar ademhaling. Onwillekeurig bekruipt me het gevoel dat ze me aanstaart alsof ik zojuist heb beweerd dat ik eigenlijk een kikker ben. “Niksj…?” Het wil er niet in. Haar verwarring is amusant en aandoenlijk tegelijk. Weer besluit ik niet verontschuldigend te glimlachen. “Tja,” zeg ik langzaam, “door je achterhoofd zie je toch ook niets?” Dit lijkt teveel voor haar. “Mag ik ‘um nu wel aaien?” vraagt ze, bijna smekend. Nu grijns ik breed. De mollige vingers strelen de fluweelzachte oren. Ik kijk toe. Wit op zwart. “Sjulleke knappe honden,” mompelt ze, “Toch fijn als je eh, nou ja… blind bent.” “Zo is dat,” zeg ik alleen maar. Ik heb inderdaad geluk.

Het Laatste Oordeel

Eerder dit jaar las ik de oproep via sociale media: schrijf een verhaal van max 400 woorden over vooroordelen over blinden. Ik aarzelde om mee te doen, omdat mijn eerste ideeën me nogal voor de hand liggend leken. Maar goed, ook wel lollig om eens één geheel te maken van de opmerkingen die ik ooit gehad heb. Dat zijn er behoorlijk veel, dus ik moest selectief zijn. Hoe dan ook, hieronder lees je mijn inzending van de schrijfwedstrijd Het Laatste Oordeel. Detail: mijn tekst is gerekend tot de beste drie. En hij is geheel autobiografisch, ik heb werkelijk niets zelf verzonnen of overdreven. Enige is dat de opmerkingen nooit door één persoon achter elkaar zijn gemaakt. Hoewel, sommigen kwamen een heel eind…

Onmogelijk!

Ik dacht al even dat u ongelukkig was, maar u bent die hond natuurlijk aan het opleiden. Wat zegt u? Bent u blind? Nee toch zeker? O, maar dat is verschrikkelijk! Dat wenst iemand zijn ergste vijand nog niet toe. En zo jong nog.
Wilt u anders even aan mijn gezicht voelen? Dan weet u hoe ik eruit zie. U ziet er trouwens helemaal niet blind uit. U hebt gewoon normale kleren aan en twee dezelfde schoenen, ook nog. Hebt u dat zelf voor elkaar gekregen of assisteert uw moeder u iedere ochtend? Dat ze u zomaar over straat laat gaan. Nee, dat zou ik nooit toelaten. Veel te gevaarlijk.
En uw hond, dat is natuurlijk uw allerbeste maatje en uw steun en toeverlaat. Ja, braaf hoor, wel goed op je baasje passen, hè? Zo bijzonder, dat die honden overal de weg weten. Huh, echt niet? Maar als hij het niet weet, eh, hoe weet u het dan?
En als u blind bent, waar gaat u dan naartoe? Ik bedoel, ik zou mezelf echt opsluiten. Maar ik snap dat u er ook wel eens even uit wilt, gewoon, om de omgeving eens te verkennen. Wat? Op weg naar uw werk? Hebt u dan een echte job? Maar wat doet u dan voor werk? O, wat geweldig, van uw werkgever. Ik bedoel, dat ze iemand als u in dienst nemen. Prachtig dat u uzelf toch nuttig kunt maken. En dan hebt u tenminste ook iets om handen. Anders zit u ook maar thuis.
U woont zeker nog bij uw ouders of met lotgenoten? Pardon? Getrouwd? O, maar dan is uw partner zeker ook, eh… nou ja… Echt niet? Wat?! Uw kinderen ook niet? KINDEREN zegt u? Maar, ik bedoel, hoe dan? Ja zeg, ik weet heus wel dat ze niet van de ooievaar komen, maar ik…
Ik bedoel het goed hoor, dus u moet het gewoon zeggen als ik teveel vraag. De buurman van de nicht van mijn beste vriend is trouwens ook blind. Die kent u dan vast wel. Ach ja, jullie wereld is gewoon zo anders, daar kunnen wij ons niets bij voorstellen. Nee hoor, geen probleem dat u even een telefoontje moet aannemen. Wat? Maar dat is een smartphone! Maar hoe, ach nee, dit…
Weet u, volgens mij neemt u me in de maling! U kunt onmogelijk blind zijn. Ik dacht het al meteen. Schandalig!

Uit het juryverslag
“Dit lijkt wel een theatertekst”

“Dit verhaal is stilistisch bijzonder knap geschreven en daardoor nodigt het uit om te lezen. Het is een wervelende tekst, mét humor.

Het consequente gebruik van de vrije indirecte rede past perfect bij het thema: de spreker bombardeert de blinde persoon met allerlei vooroordelen, maar de blinde persoon zelf komt niet aan het woord in de tekst. Typisch voor vooroordelen dus: de spreker is niet wezenlijk geïnteresseerd in de ander, maar meent wel van alles over haar te weten. Dit is zo doorleefd, zo raak, zo treffend, zo herkenbaar – alleen maar superlatieven.

Het einde is ook verrassend: de smartphone, neen, dat kan niet, dat slaat alles. Kinderen, een man en werk, daar willen ze nog wel intrappen, maar een telefoon bedienen, dat is onmogelijk.

We schudden met het hoofd, we glimlachen en denken na bij deze tekst. Net wat we nodig hebben bij het laatste oordeel. Proficiat aan de kenner en schrijver van dit pareltje!”

Tentoonstelling
Samen met de twee andere winnende teksten wordt mijn inzending onderdeel van de tentoonstelling van het project HOOGSTPERSOONLIJK!, eind 2023 in het Museum Dr. Guislain in Gent. Altijd leuk. De jury bestond uit een aantal Vlaamse schrijvers, essayisten, schrijfdocenten, dichters en filosofen.

Zeur
Natuurlijk ben ik blij met de lovende woorden van de jury, al is het ook triest dat ik 100% van de tekstinhoud uit eigen ervaring zo kon opschrijven. Dus aan al die mensen die dit alles tegen me gezegd hebben: toch bedankt, voor de inspiratie! Het rare is dat de meesten het niet eens slecht bedoelden. Dat is volgens mij ook het hele probleem. Mensen bedoelen het goed, of in elk geval niet verkeerd, dus ben jij de overgevoelige zeur als je er iets van zou zeggen.

Sleutel
Je hoort het wel vaker, ook in het nieuws; wij bedoelen het niet kwaad, dus waarom doen die anderen zo moeilijk? Wij bepalen toch zeker zelf wel hoe we over komen?
zoals wel vaker is de sleutel, volgens mij, oprechte interesse en nieuwsgierigheid. Niet invullen, niet je laten voorstaan op wat jij erover denkt te weten en er wél altijd rekening mee houden dat het allemaal anders kan zijn dan je zelf denkt. En dat is uiteraard ook een mooie en nodige note to self.

Blinde Betje in de kantoortuin

Deze week las ik een Facebook-bericht met daarin tips over hoe om te gaan met blinden en slechtzienden op de werkvloer. Daar hoeft niks mis mee te zijn, ware het niet dat het weer eens óver blinden gaat, in de derde persoon. Niet meer dan een bedroevende 30% van de Nederlandse visueel gehandicapten heeft betaald werk, maar of deze tips hier iets aan gaan bijdragen…

Bezint eer ge begint 
Als werkgever zou ik het nogal ingewikkeld vinden. Wil je iemand aannemen die blind is en wil je daar in al je begrijpelijke koudwatervrees wat meer over weten, stuit je in je rondje googlen op deze “handvatten”. Let op dit, let op dat, doe niet zus of juist wel zo… en dat terwijl de kandidaat in het gesprek juist had aangegeven dat er weinig aanpassingen nodig zijn. Wie moet je nou geloven?

 

Blinde Betje 
Ja echt, er zaten zelfs filmpjes bij, met – ik weet het bijna zeker – dezelfde voiceover als bij Nijntje in de speeltuin, met zo’n afschuwelijk betuttelend en denigrerend ondertoontje. Blinde Betje in de kantoortuin, dus. Ik zal even kort langs de gegeven tips gaan.

 

  1. Begroet je blinde collega, zeg bij binnenkomst altijd wie je bent en raak hem/haar niet zomaar aan

Even goeiemorgen zeggen lijkt me doodnormaal, tegen welke collega dan ook die je tegenkomt. Maar altijd weer je naam noemen, hi-la-risch! Elke dag weer, gewoon, omdat het kan. Het is dat ik zoveel thuiswerk, anders zou ik dit ook zeker tot routine verheffen. Ik herinner me nu ook dat mijn vroegere baas deze tip al kende – oei, waar zit dat lek? Zij volhardde erin om iedere dag weer speciaal tegen mij te zeggen hoe ze heette. Heerlijk. Ik deed dat ook terug, want ik wilde haar natuurlijk wel te vriend houden. Zo hielden we met een kleine aanpassing heel fijn rekening met elkaar. Wat kan het leven toch simpel zijn. Nou ja, dacht ik, want na een paar weken zo over en weer onze namen noemen, stopte ze er ineens mee. Toch jammer.
Zeggen dat je me een hand wil geven is op zich prima, maar dan die aangekondigde schouderklopjes omdat ik daarvan zou schrikken. Wat een spontaniteit brengt dit teweeg – NOT. Dan schrik ik maar, als ik dat al doe. Dus wil je mij een schouderklop verkopen, doe het dan gewoon. Liefst lekker onverwacht en hard, dan weet je zeker dat ie aankomt. We zijn ten slotte niet van porselein.

 

  1. Zeg altijd wat je gaat doen, waar anderen zijn, let op vaste plekken 

Als je de ruimte verlaat waarin je net hebt zitten praten, geef dit dan inderdaad even aan. Hoeft eigenlijk ook niet altijd, maar kan soms handiger zijn. Wat je gaat doen? Als ik achter mijn bureau ernstig verdiept ben in het halen van mijn deadline, interesseert het me geen moer dat jij naar de wc gaat, dat je even je nagels lakt of wat mij betreft op je hoofd gaat staan om je zin te krijgen bij de baas. Over vaste plekken, een vaste werkplek is voor een blinde meestal wel fijner dan flex. Maar dat de nietmachine niet op zijn plek zou staan, och jee, daar moet je toch niet aan denken? Stel je voor dat ik aan een collega moet vragen waar dat kreng is gebleven. Of dat ik tegen een niet aangeschoven stoel loop. Ideaal is anders, zeker, maar die dingen gebeuren. Daar moet je op beducht zijn als blinde. Ziende collega’s kunnen niet op die manier rekening met je blijven houden. Ja, een weekje misschien, maar pssssstt, geheimpje, ze willen heus wel, maar hebben daar eigenlijk gewoon helemaal geen f*cking zin in – en geef ze eens ongelijk. 

 

  1. Vertel wat er gebeurt, ondertitel de visuele info 

Ja, een DEFECT-briefje op de wc-deur zie ik niet als niemand het even zegt. Anders trouwens ook niet, maar dan weet ik het tenminste. Heeft Betje toch nog een punt. Het is verder vooral aan de blinde zelf om alert te zijn op mogelijk gemiste visuele info. Dan hoef je echt niet zoveel te missen, al doet het filmpje anders vermoeden.

Zodra je als blinde merkt dat zienden ergens op reageren en je kunt nergens uit opmaken wat het is – en nu volgt de tip van de eeuw – vraag het dan. Of wacht even tot ze bekomen zijn van de visuele prikkels, die voor sommigen behoorlijk intens en overweldigend kunnen zijn. Antennes uit dus. Kost dat extra energie? Ja, maar wat wil je dan? Je kunt natuurlijk als een hulpbehoevende debiel gaan zitten afwachten tot iemand op het idee komt jou even bij te praten, of je kunt thuis achter de geraniums gaan zitten. Zoek anders het woord proactief even op in het woordenboek. En wees niet bang, daar staat heus geen foto van mij bij. Hoe dan ook, het filmpje laat dit volledig buiten beschouwing. Wat dit doet met de beeldvorming of zegt over hoe de makers zelf naar visueel gehandicapten kijken, wil ik eigenlijk niet weten.

 

  1. Spreek uit, vraag en loop er niet mee rond 

Prima tip, om bij twijfel gewoon te vragen of iemand iets nodig heeft. En inderdaad, zeg het als iets niet duidelijk is. Dat geldt natuurlijk voor iedereen. Houd de communicatie open. Je hoeft mijn hand echt niet op de leuning van een vrije stoel te leggen hoor. Best als je dat per se wilt, maar met wat aanwijzingen of een hoorbaar klopje erop weet ik ook voldoende. 

Het ontgaat me waarom nu juist deze tips hier worden neergezet als vaststaand en voor alle blinden handig en/of wenselijk. En waarom op deze Nijntje-manier? 

De impliciete boodschap van dit soort tenenkrommende video’s is dat je als blinde daadwerkelijk al dit soort aanpassingen mag verwachten van je ziende collega’s en andersom dat dit wenselijk is voor alle blinden. Waar blijft de visueel gehandicapte zelf in dit verhaal, met zijn eigen voorkeuren, stijl, inbreng en assertiviteit? Hoe rijm je deze zogenaamd universele, vermeend legitieme verwachtingspatronen met de opmerking dat je er samen en onderling wel uit komt?

 

Spreekbuis 
Tuurlijk, ik spreek vast niet namens alle blinden en slechtzienden, maar genoemd artikel met video’s ook niet bepaald. Gebruik dus vooral je eigen boerenverstand, probeer een beetje opmerkzaam te zijn als dat niet in je natuur zit en overdrijf vooral niet. En werkende blinden en slechtzienden, voor jullie geldt eigenlijk precies hetzelfde. En Bartiméus, bedankt voor de inspiratie om weer eens een blog te schrijven. Ik zie uit naar de volgende aflevering van Blinde Betje op avontuur. Maar nu even serieus, hoe denken jullie aan inclusie bij te dragen met deze video’s? Wat voor beeld hebben jullie zelf van werkende blinden? Hoe verenigen jullie het bevorderen van eigen regie van blinden met dit soort beeldvorming? Met andere woorden: mogen alle werkende blinden en slechtzienden, onder wie ikzelf, even – en niet in de derde persoon – zelf bepalen én aangeven wat handig en onhandig is voor ons, op een manier die wij zelf het prettigst vinden? Dank u!!